Aswolk is verbrande turf (lava-lava)

Als ik in het reine kom, is het daarna dan een smeerboel

Als ik vrede mee heb, is de oorlog dan verloren

Als ik mij erbij neerleg, word mijn rug dan vies

Als ik het geweten heb, ben ik het nu dan kwijt

Als ik angst oogst, ben ik dan wel een goede boer

Als ik pijn lijd, kan een pleister uitkomst bieden

?

maandag 9 november 2009

Een liefdesverhaal: Bello en Carotia

Een paar groenten hoef ik eventjes niet meer te zien, sterker nog, ik walg van ze. Maar ik vrees dat ik nog jaren aan hen verbonden ben.
De eerste van deze twee groenen waar ik me ook geel aan kan ergeren is de warmgekookte Daucus carota of peen. Ik had graag gehad dat niemand daarover was begonnen. Ik weet nog goed mijn lijfspreuk vanaf mijn 8ste jaar: “Mam ik wil g%dv*r#d$mm* koude wortels, ik zei KOUDE WORTELS!”.
Het krijgen van gekookte in plaats van rauwe peen was als voor je verjaardag een klassiek lego kasteel bestellen, en een flikflak horloge krijgen. Ten eerste, daar had ik toch helemaal niet om gevraagd en ten tweede ik wil die knapperige sensatie van een onneembaar fort in plaats van een horloge met twee zouteloze patjepeeƫrs die je de tijd komen vertellen.
De warme wortel is als een vrouw zonder mening en humor, niet sexy, met een ronde vorm die nooit de geile vorm van een cola fles aan zal nemen. Hoe lang je haar ook kookt, je wordt er niet warm van. Deze bereidingswijze van de groente vind ik het toonbeeld van slechte smaak. Ik krijg een muffe adem en een slecht humeur van haar.

Mijn oom is een portobello. Met het schrijven van dit stuk krijg ik kans om deze kwal van een groente eens flink op zijn plaats te zetten. De portobello, het flamboyante jongetje in de klas. Hij kwam er pas later bij, (denk aan zijn plek in het paddenstoelenpad in de supermarkt) maar vind zichzelf altijd en overal superieur en komisch. Hij schreeuwt altijd van de hoogste toren, in de trant van “kijk mij nou, ik ben een portobello, ik ben excentriek en gewoon gebleven tegelijk!”. Arrogant met een manisch tintje, maar hij probeert toch in het groentekliekje een bescheiden plekje te veroveren. De portobello is achterbaks als een gevarendriehoek. Altijd maar beginnen over de onderklasse in Portugal waar hij vandaan kwam en hoe hij zich zonder steun of vriendjespolitiek een plek heeft veroverd tussen de –nonnen en –zwammen, maar zich ondertussen wel inlikken tussen de asperges en zeekraal.

Wat de samenhang hierin is ga ik nu verklaren. Bello kwam de warmbloedige Carotia tegen en ze werden verliefd. De zompige wortel vroeg mijn oom uit eten en ze aten ratatouille. Portobello merkte hoe vlak haar smaak was en hoe weinig ze had in te brengen in het diner dat het leven heet, en hij liet deze wortel niet meer schieten. Haar laffe smaak zou in het niet vallen tussen de overrompelende diepgang van zijn houtige aroma. Hij had een metgezel gevonden die niks in te brengen had, hij kon haar annexeren als Amsterdam dit bij Sloten deed. Dit was precies het soort vrouw waar hij overheen kon lopen en je niet eens kracht hoefde te zetten om puree van haar te maken. En dus zit ik al drie jaar lang op feesten en partijen in een ruimte met deze onaantrekkelijke oranjebruine twee-eenheid. Hij met zijn glanzende huid en zij met haar rimpelige zompige huid lijken ze net een voor/na reclame van een duur huidzalfje. Ik walg van dit koppel, maar waarschijnlijk is dit een van de vele onsmakelijke combinaties waar ik nog jaren mee in mijn maag gesplist ben.